Reisje naar Parijs
Visiting Paris in the 18th century. Travellers reported on the conditions of hotels and restaurants. Young Mozart loved eating ices.
Eind januari, de 27ste om precies te zijn, is de 270ste geboortedag van Wolfgang Amadeus Mozart. In zijn leven bezocht hij drie keer Parijs. De eerste keren met het hele gezin; de tweede keer alleen met zijn moeder als jonge man, die voor het eerst een beetje los is van dominante vader Leopold. Hoe was Parijs toen?
Hoe was het reizen in die tijd? In 1763 vertrekt de familie vanuit Salzburg op rondreis door Europa met de twee wonderkinderen. In 1766 keert de familie Mozart vanuit Utrecht terug naar Parijs, via Antwerpen, Mechelen en Brussel, waar ze kant kopen, en met een tussenstop Valenciennes om effen en gebloemde batist aan te schaffen. In Parijs begint het leventje van musiceren aan het hof weer voor de jonge Wolfgang. Over het eten daar wordt niet uitbundig gecommuniceerd. Tijdens die reis beperkt Leopold zich wat betreft Frankrijk vooral tot een lofzang op de Bourgogne.

Uitvoeriger schrijft de Amsterdamse koopman Jacob Muhl, die met zijn gevolg bijna dezelfde route aflegt. Vanuit Brussel schrijft hij in juni 1778 naar huis, dat ze eerst in Antwerpen een wat onbehouwen dominee bezochten. Toen reden we naar ons logement en aten met smaak zeer schoone doperwten, een soup, die puijk was, voorts goede, welbereide groenten en lekker vlees en gebraade hoenders. Daarna bezoekt het gezelschap een schilderijen-kabinet, wandelt men langs de Schelde, waar aan het eind van de dag dineren. Dan gaat de reis door naar Mechelen daar wij in de Swaan op de markt onse maaltijd bestelde en intusschen de stad omwandelde en de st. Romulduskerk besagen. In Brussel nemen ze vervolgens hun intrek in het Hotel La Cour d’Engleterre. Nog nooit hebben ze een zo groot en schoon logement gezien. Er zijn wel 50 kamers, nog afgezien van de knechtskamers. Het hotel in de Rue de Madeleine wordt in die tijd als het beste hotel van de stad aangemerkt, in 1763 verblijft ook de familie Mozart daar gedurende drie maanden.
Blik verruimen
Muhl - helaas hebben we geen portret van hem - heeft een haast toeristische visie op reizen. Eigenlijk zouden al zijn landgenoten eens over de grenzen moeten kijken om de blik te verruimen. Het is schande, dat een Hollander niets ziet. Laaten wij werken, dat is puijk, maar een weinig genot is ook prijselijk.’ Al is het wel even wennen aan de lokale gebruiken, zoals in Picardië. Onder onse postiljons hebben we maar 5 of 6 gehad, die tevreeden waren. Se vragen altoos meer drinkgeld, schoon men meer geeft als de ordonnantie zegt om wel gediend te werden. Bedelen is hier geen eind aan. Als men aan een posthuijs komt, zo heeft men aan de koets eenige; en de hospita, als men niet schielijk de meid drinkgeld geeft, zo vraagt die er om, dat is ons ook al gebeurt.

En het posthuis in Chantilly ziet er niet uit: de vloeren zijn al lang niet geveegd, althans niet zedert Noachs tijd, maar het eeten ging nog heen.
Waarlijk paradijs
Eindelijk komen ze in Parijs. Ze zien vlak over ons logis een koffijhuijs, hoorde zingen en speelen en veele menschen, die door de glasen op straat keeken. Wij resolveerde daar in te gaan. Dat was een vertooning zo grappig, dat wij barse gaan lachen. Daar waren 3 Italiaansche vrouwen en 2 mannen, die zongen en speelden, en een menigte officiers en Franschen. Toen zij gedaan hadden, liep er één met een schaaltje rond en die wiert van verscheide heeren aangehaalt, gestreelt en gesoent, dat een schatering van vreugde gaf.
Het gezelschap van Muhl beschouwt alles en doet verslag. Ze hebben genoeg aan het mensen bekijken vanaf een bankje in het park bijvoorbeeld. Zowel de stad als de omgeving vindt hij waarlijk een paradijs. ’s Middags wandelen ze af en toe door de Jardin de Luxembourg, Ook toen al was het een oase, waar bankjes en stoeltjes stonden en waar mensen zaten of liepen te lezen. De Tuilleries bezoekt hij herhaalde malen voor een wandeling en het vaste patroon van observeren: Hoe meer wij die bewandelen, hoe meer van alle kanten en zijden de gesigten besien, hoe schoonder en grootscher het werd. En ook hier weer klinkt een lichte kritiek op de verleidelijke Franse lichtheid van het bestaan: Se zitten 3 uur aan tafel, dan in de tuin wandelen, dan aan 't speelen of naar opera en comedie - weg is de dag.

Ze hebben het mis
Er zijn meer buitenlanders die door Europa reizen en hun commentaar geven op de horeca. Wanneer de Duitse erudiet Joachim Nemeitz aan het begin van de 18e eeuw Parijs aandoet, ontdekt hij snel wat er mis is met de stad: het eten. Hij vindt de conversatie in de Parijse cafés weliswaar stimulerend, maar de architectuur van de cafés waardeert hij hoger dan het voedsel. Bijna iedereen gelooft dat je in Frankrijk, en speciaal in Parijs, goed kunt eten, maar ze hebben het mis. Hoewel hij zijn lezers aanraadt om vooral op te letten in drukke straten concludeert hij dat één verbetering echt noodzakelijk is in de stad, afgezien van straatverlichting en het aanpakken van de zakkenrollers, en dat is de kwaliteit van het eten. Voor mijn medereizigers hoop ik dat dit verandert, verzucht hij, je betaalt graag wat meer om iets goeds en afwisselends te krijgen. Je staat als Duitser raar te kijken als je in Parijs geen sterk gekruide vleesgerechten op tafel krijgt. Want de Fransen houden niet zo van de specerijen van de Levant. Maar, als ze het willen kunnen ze heel lekker en smakelijk eten op tafel zetten, troost hij, en net zo goed kruiden als wij dat doen en hun fricassees en ragouts zijn heel smakelijk. Maar in Parijs eet men geen ham, geen worst en geen gezouten of gerookt vlees, geen zuurkool, geen roggebrood, wan al hun brood is wit en het vlees vers. En: Ben je genoodzaakt om in een herberg, of van de traiteur’s table d’hôte te eten, dan ontdek je als eenvoudige bezoeker al snel dat je helemaal niet lekker eet, omdat het vlees niet goed bereid is, of omdat ze iedere dag hetzelfde op tafel zetten en nauwelijks variëren.
Levendig Parijs
De sfeer in de Parijse restaurants maakt juist wél een goede indruk op gasten uit het buitenland. Johann Kaspar Riesbeck, een Duitse journalist, denkt in Wenen met weemoed terug naar de levendigheid van Parijs. De Weense manier van eten is treurig, ieder zit in een hoek, beweegt een tijdje zijn kaken en handen, betaalt de rekening en gaat er weer van door zonder een woord te zeggen. Nee, dan Parijs! Hoe levendig is het daar in de restaurants. Wat gezellig gedragen vreemdelingen én inwoners zich tegenover elkaar als ze elkaar treffen!

Ook Wolfgang amuseert zich in juli 1778 prima. Samen met zijn moeder Anna Maria is hij via Duitsland naar de grote stad afgereisd, vader kreeg geen toestemming om Salzburg te verlaten van de prins-bisschop. Helaas verloopt het bezoek wat anders dan gepland. Moeder vindt het er vreselijk, heeft heimwee, wordt ziek en overlijdt eenzaam in een vreemde stad. Zoon begeeft zich graag en vaak onder collega-componisten en kunstenaars, vrijmetselaars en filosofen en leeft zich uit. Hij heeft een symfonie (‘de Parijse’, hoe kan het anders) gecomponeerd en voert die uit in het Palais Royal. De toehoorders klappen hun handen beurs van enthousiasme en Wolfgang gaat zijn succes vieren in één van de hippe tenten van het Palais Royale waar hij een ‘gut gefrornes’ eet. IJs in de ijssalon, of in één van de bij de jonge intellectuelen van goeden huize zo geliefde cafés. Hij neemt het er van.
Tot slot

Ik ben een paar jaar geleden langs het voormalige hôtel Lebrun gelopen waar Anna Maria Mozart overleed, Rue du Sentier 8, in het 2de arrondissement. Geen heel erg gezellig buurtje nu en toen ook al niet. Zo’n veel te groot pand waar de familie onverwarmde en vochtige kamers aanbiedt aan ‘nette reizigers met een brief van aanbeveling' aldus de Mozartiaanse briefwisseling. Frans spreken doet ze niet echt. Eten moeten ze zelf maar regelen. Er is wat contact met een pastoor. Het is wel een verdrietige manier om je leven te eindigen, zo ver van man en dochter, ver van huis en haard en met een zoon die aan de zwier is.
Bronnen:
Mozarts Menu, Lizet Kruyff, Jonneke Krans, 2006
H. A. Höweler, Een Amsterdammer naar Parijs in 1778. Reisverslag van de koopman Jacob Muhl, 1978.